In Memoriam Jan Wolkers (1925-2007)

Op 19 oktober 2007, om half twee precies, overleed Jan Wolkers. Het was een week voor zijn 82ste verjaardag. Tegen zijn vrouw Karina had hij een paar dagen voor zijn dood gezegd, nadat zij hem had gevraagd of hij nog iets moest eten: ‘Zo is het genoeg.’ Daarop was hij in een diepe slaap gevallen, waaruit hij nimmer meer ontwaakte. ‘Zo is het genoeg’, het waren de laatste woorden van een begenadigd, vitaal en veelzijdig kunstenaar.

‘Beeldhouwer-schilder-schrijver’, zo afficheerde Wolkers zichzelf. Oorspronkelijk werd hij opgeleid als beeldhouwer en verwierf met zijn openbare monumenten en beelden zijn eerste bekendheid. Na de publicatie van twee gedichten in 1957 - het jaar dat Wolkers in Parijs verbleef om in het atelier van Ossip Zadkine te studeren - debuteerde hij in 1959 als prozaïst met het verhaal ‘Het tillenbeest’ in het tijdschrift Tirade. Zijn doorbraak naar het grote publiek beleefde hij in 1962, met de publicatie van zijn debuutroman Kort Amerikaans.

In die roman, maar ook in Terug naar Oegstgeest (1965) en De walgvogel (1974) vertelde hij óók zijn eigen levensverhaal. Zijn jeugd in een gereformeerd gezin van elf kinderen uit Oegstgeest, een dorpje onder de rook van Leiden, keert telkenmale terug. ‘Mijn werk en leven zijn één,’ zei hij. ‘Er is niemand dichter bij de waarheid gebleven dan ik.’

De romans van Wolkers betekenden voor hem persoonlijk, maar ook voor veel van lezers een bevrijding van het geloof en de benauwde sfeer waarin zij waren opgegroeid. Turks fruit (1969), dat tientallen malen werd herdrukt en door Paul Verhoeven succesvol werd verfilmd, betekende ook een bevrijding in seksuele zin. Zelden had een Nederlandse schrijver zo opwindend en vrijuit over de liefde geschreven: ‘Ik naaide de ene meid na de andere. Ik sleepte ze in mijn hol en ramde me een ongeluk.’

Het werk van Wolkers wekte ook veel weerstand, met name onder de gereformeerden. Met de critici onderhield de schrijver eveneens een gespannen verhouding. Zijn boeken haalden enorme oplagen, maar werden vaak verguisd. Het dreef Wolkers ertoe om de twee meest prestigieuze literaire prijzen uit het Nederlands taalgebied, de Constantijn Huygens Prijs en de P.C. Hooftprijs, te weigeren.

Wolkers schreef even teder als schaamteloos, in een schitterende, bruisende taal, die verried dat hij - naar eigen zeggen al vanuit de baarmoeder - goed had geluisterd tijdens de dagelijkse lezing van zijn vader uit de Statenbijbel. Dit had de Bijbel hem geleerd: ‘Om te leven alsof ik onsterfelijk ben terwijl ik me er tezelfdertijd van bewust ben dat ik ieder moment in de aarde weg kan zakken om voor eeuwig tot stof terug te keren.’

De dood doordesemde zijn hele oeuvre, het beeldende en het literaire, zijn schilderijen en beelden, zijn romans, essays en gedichten. Zijn hele leven was hij door het onderwerp geobsedeerd, zag in zijn laatste dagen nog de demonen voorbijtrekken van zijn vader, zijn oudste broer en zijn dochtertje Eva, wier dood is vastgelegd in het huiveringwekkende Een roos van vlees (1963). Toch zag hij de dood niet als straf, maar juist als levensvoorwaarde: ‘Als er geen dood was, zou alles zinloos worden.’ Zijn eigen dood kon Jan Wolkers, na een rijk en intensief leven, zonder vrees tegemoet zien. ‘Een kraai krast dat het is volbracht,’ schreef hij in het gedicht ‘Zelfportret zonder kik’. ‘Ik sluit mijn mond en geef geen kik, / Dit is de dood en dat ben ik.’

Door Onno Blom

Gepubliceerd: 20 oktober 2008 [ columns | nieuws ]

Zoek